In de sprookjes worden de wortels van het
menselijk bestaan in verband gebracht met de
kosmos. Er is geen groter zegen mogelijk om aan
een kind te geven! Het kind groeit nog, moet
zichzelf nog vormen en ontwikkelen. De
sprookjesbeelden brengen zielenvoeding voor de
ontwikkelende kind.
De beelden van sprookjes zijn werkelijke
beelden vanuit de geestelijke wereld. Ook al is
het verleden tijd, het blijft van kracht. Daarom
is de juiste wijze om een sprookje te beginnen,
altijd: Er was eens ….waar was het ook weer? Waar
was het niet? En dan eindigen met: Ik heb dat eens
gezien. En als zij niet dood zijn leven zij nog.
Het maakt een enorm verschil of kinderen
de gelegenheid gegeven wordt om met sprookjes en
mythen groot te worden al dan niet. De kracht van
de sprookjesbeelden geven vleugels aan de ziel dat
zich pas op een latere leeftijd laten merken.
Rudolf Steiner